EHBD

 

Eerste Hulp Bij Deelname aan een kampioenschap!!!

Een schaakpartij start met:

  • Een handdruk.
  • Beide spelers wensen elkaar ook een “goeie partij”.
  • De witte speler opent de partij en drukt de klok af.

Elke partij eindigt met:

  • Een handdruk.
  • Er wordt “proficiat” gewenst aan de winnaar en de verliezer krijgt “bedankt voor de partij”.
  • De stukken worden opnieuw in de beginstelling opgezet.
  • Wie de klok al kan zetten, zet die weer op een kwartier looptijd.
  • Het resultaat van de partij wordt na afloop van de partij genoteerd op het ploegblaadje.
  • 1 punt voor wit, wanneer wit is gewonnen en 0 punten voor zwart
  • 1 punt voor zwart, wanneer zwart is gewonnen en 0 punten voor wit
  • ½ - ½ wanneer de partij eindigde in remise (gelijke stand)

Schoolschaak speel je in ploegjes van 4.

  • De opstelling van de ploeg blijft voor het hele tornooi gelijk.
  • De sterkste schaker van het ploegje speelt op bord 1, zo verder tot bord 4.
  • De speler van bord 1 noemen we de kapitein. Hij zorgt dat de spelers van zijn ploeg op de juiste stoel plaatsnemen.
  • Elke speler kan een punt winnen bij elke partij. Er kunnen dus maximum 4 punten verdiend worden voor de ploeg in elke ronde.

Gebruik van de klokjes.

  • Elke schaker krijgt per partij 15 minuten tijd, de partij duurt dus maximaal 30 minuten.
  • Na elke zet duwt de speler de klok af, waarop de tijd van de tegenspeler begint te lopen.
  • De klok wordt ingedrukt met de hand waarmee de zet gebeurt.
    Zo vermijd je dat de ene hand de klok afdrukt wanneer de andere hand het stuk nog niet heeft losgelaten…
  • De klok wordt stilgezet bij een probleem dat je niet zelf kan oplossen.
    Je blijft dan zitten op je plaats en steekt je hand op tot de scheidsrechter kan komen.
    De scheidsrechter luistert en beslist hoe de partij verder gaat (of eindigt).

Spelregels:

Tijdens het spelen wordt niet gepraat met je tegenstander, noch je ploegmaats.
Elke speler uit de ploeg speelt zijn eigen partij en wordt hierbij niet geholpen.
Schaken speel je sportief. Je hebt eerbied voor elke tegenstander.
Je stoort de partij niet met vervelende geluidjes of storende bewegingen.
In de speelzaal blijft het stil: na de partij verlaat je de zaal om even te ontspannen.

TOESCHOUWERS BEWAKEN MEE DE STILTE IN DE SPEELZAAL.